Muziekles

Vakinhoud muziekles ‘Samen spelen’

Muziek op schoot.

Is niet letterlijk wat er geschreven staat. Het is geen moeder met kind en muziekboekje of instrument op schoot. Maar het zijn lessen waar mama’s met peuters van 8 maanden tot 4 jaar heel blij van worden! De hele zaal wordt gebruikt. Er wordt muziek gemaakt, gezongen, gedanst en er worden heel veel grappige, leuke spelletjes gedaan op de vloer.

3-1-3-peuters-workshop-woef-side-storyHet doel van de muziekles is:

De kindjes (en de moeders) oefenen het gehoor, de stem en grove motoriek.

Vakinhoud:

Moeder en kind maken kennis met maat en ritme.
Moeders noemen de naam van peuters in een ritme. Peuters zeggen de eigen naam.
Interactief horen, zien en spreken. De namen leren van elkaar.
De juf zingt het peuterliedje voor en geeft aan het eind een sterke en een zachte slag op de trommel: kwart rust zachte slag.
De mama’s hebben hun kind op schoot en geven een klein klapje op de dijbeentjes van het kind.
De kindjes gaan op de grond zitten met verschillende trommeltjes en slaan het ritme op de trommel.
De juf zingt een liedje van een trommel. De kinderen slaan het liedje mee op de trommel.
De juf zegt: ‘Aan het eind mag je ook hard trommelen’. Ongelijk trommelen mag.

Mama’s leren een lied te zingen voor hun kindjes. Wij dansen en zingen.
Moeders lopen met de peuter in een kring: ‘Stap stap, stap, stap, zo doen de voeten.’
Het is een liedje met beweging en een lief orkestmuziekje erbij. ‘Loop en doe je handjes bij je oren.’
De peuters leren een kort liedje van Annie M.G. Schmidt.
De peuters leren te luisteren naar een verhaal in een lied dat de juf voorzingt.
De juf begeleidt op het klokkenspel.
De peuters zingen zelf een kort liedje van twee of vier regels.

Leeractiviteit: Ontwerp opdracht: Spelen en zingen van een maat en ritme.

Onderscheiden van instrumenten, stemmen en dynamiek. Hoe ontvankelijk is de kleine?
Hoe werkt het kindje met de andere kindjes samen?
Muzikale middelen: Toonhoogte, toonduur, balans, tempo, dynamiek, samenklank, vorm, onthouden.

Afsluiting:

Feedback van de peuters en moeders.
Naar aanleiding van de feedback en reflectie, vertel ik dan wat wij in een volgende les zouden kunnen doen.

Hondjes musical voor hummeltjes en peuters.

Als roodharige Cockerspaniël vertel ik het schattige verhaaltje van de ‘Woef Side Story’ (bron: Leonard Bernstein en RO theater). Dan spelen wij dat ze hondjes zijn.
Ik prikkel de fantasie door balans te houden in melodie, ritme, tempo en dynamiek.

Het doel van de muziekles is:

Auditief vermogen, het gehoor.
Ik zing daar lieve liedjes bij en speel gitaar voor hummeltjes (1 en 2 jaar) en peuters ( 3 en 4 jaar). Daarmee stimuleer ik het auditieve vermogen.
Ik laat ze muziek horen. Geluid dat hun oortjes binnenkomt.
En ik laat ze naar de muziek luisteren door te vragen om iets met de muziek te doen: alle hondjes zitten in de kring.
Door de klank van mijn spreek- en zangstem samen met de muziek, activeer ik de zintuigen van de kindjes.

Cognitieve vaardigheden, het begrijpen en het onthouden.

Ze mogen een hondje spelen dat blaft. ‘Waf!’ Ze leren initiatieven te nemen. Een simpel opdrachtje uit te voeren, zoals een bal pakken en naar mij toe brengen.
Daarmee stimuleer ik het cognitieve vermogen, het begrijpen en het onthouden.
Anders gezegd, het opnemen en verwerken. En ik activeer het geheugen.

Visueel vermogen, het zien.

Ik breng vrolijk gekleurde verkleedkleren mee en leer de kindjes de verschillen tussen kleuren en materialen.

Didaktiek en organisatie.

De hondjes musical kan gegeven worden als éénmalige workshop, lessenserie of cursus.

Introductie:
Saskia vertelt aan de kindjes het verhaal van de ‘Woef side story’

Leeractiviteit:
Wil je een hondje zijn (spelen)?
De ‘Woef Side Story’ staat garant voor een uitbundig hondsdol feest!
Je speelt een feestelijk verhaal.
Houd je van dansen, zingen, verkleden en schminken?
Wil je graag een ballonnenhondje krijgen van een door Saskia geknoopte ballon?
Dan moet je hierbij zijn!
Woef mee op de muziek en leer blaffen als een echte hond.

Het doel van de cursus is:
De kinderen oefenen het gehoor, de stem en grove motoriek.
Zij maken kennis met maat en ritme.
De kinderen leren liedjes te zingen voor elkaar (solisten) en met elkaar (groep).
Ze leren luisteren naar het verhaal wat zij zelf voorlezen zodat ze de honden leren kennen.
Je zult tekst, melodie, maat en ritme leren onthouden en zingen.
Met gebruik van domeinen en haalbare kerndoelen uit het leerlingvolgsysteem.

Musical voor kinderen in de Onderbouw en Naschoolse Opvang.

Het oorspronkelijke verhaal van de ‘Woef Side Story’ heeft een structuur, waar kinderen van de Onderbouw binnen het Basis Onderwijs en Naschoolse Opvang van 4, 5, 6, en 7 jaar zelf een eigen mini musical van kunnen maken.
Binnen het concept maak ik gebruik van de mogelijkheden van de kinderen.
Voor kinderen van groep 3 ( 6 of 7 jaar) en groep 4 (7 of 8 jaar)

Wil je spelen dat je een hondje bent?

De ‘Woef Side Story’ staat garant voor een uitbundig hondsdol feest!
Je speelt een feestelijk verhaal als hondje nummer één, hondje twee, hondje drie, hondje vier, hondje vijf, hondje zes of hondje nummer zeven.
Houd je van dansen, zingen, verkleden en schminken?
Wil je graag een ballonnenhondje krijgen van een door Saskia geknoopte ballon?
Dan moet je hierbij zijn!
Woef mee op de muziek en leer  blaffen als een echte hond.

Het doel van de muziekles is:

De kinderen oefenen het gehoor, het geheugen, de stem en grove motoriek.
Zij maken kennis met balans, melodie, ritme, tempo en dynamiek in de muziek.
De kinderen leren liedjes zingen voor elkaar (solisten) en met elkaar (groep).
Ze leren luisteren naar elkaar als zij het verhaal zelf voorlezen en er stukjes bij fantaseren. Daarmee leren ze karakters van de honden kennen.
De kinderen zullen tekst, melodie, maat en ritme leren onthouden en zingen.
Ze leren concentratie en focus op te bouwen.
De les kan gegeven worden als éénmalige workshop, lessenserie of cursus met als toets de eindpresentatie voor alle ouders en verzorgers.

Andere gedifferentieerde programma’s zijn ‘Jan Klaassen en Katrijn’ en ‘Snorro’.

Poppenkast Musical voor kinderen in de Bovenbouw en Naschoolse Opvang.
Het oorspronkelijke verhaal ‘De gestolen feestneus’ heeft een structuur, waar de kinderen van de Bovenbouw en Naschoolse Opvang zelf een eigen poppenspel van kunnen maken. Binnen het concept maak ik gebruik van de mogelijkheden van de kinderen om de zelf de poppen te zijn en te spelen.
Voor kinderen van groep 5 (8 of 9 jaar) en 6 (9 of 10 jaar)

Speel zelf de rollen van Jan Klaassen en Katrijn
Wij gaan een voorstelling van het Jan Klaassen Poppentheater naspelen.
‘De gestolen feestneus is een voorstelling waarbij boeven, agenten, clowns, de bokser, Jan Klaassen en Katrijn een rol spelen. Wil je je verkleden, schminken en zingen?
Dan moet je hier bij zijn!

Het doel van de muziekles is:
De kinderen leren enkele muzikale middelen kennen.
De kinderen leren een liedje te zingen voor elkaar (de solist) en met elkaar (groep).
Je zult tekst, melodie, maat en ritme leren onthouden en zingen.
De kinderen verdelen de rollen van de poppen en spelen de personages in een poppenmusical alsof ze in de poppenkast spelen.
Wij oefenen dat het publiek naar de spiegel zal kijken en dat de kinderen naar de ramen zullen kijken. Ze worden zich bewust van de ruimte waar ze in bewegen.
Met gebruik van domeinen en haalbare kerndoelen uit het leerlingvolgsysteem.

Speel zelf de rollen van de Musical ‘Snorro’
Het oorspronkelijke verhaal heeft een structuur, waar de kinderen zelf een eigen toneelstuk met liedjes van kunnen maken. Binnen het concept maak ik gebruik van de mogelijkheden van de kinderen om te dansen, zingen en te acteren.
Voor kinderen van groep 5 (8 of 9 jaar) en 6 (9 of 10 jaar)

De kinderen kiezen en verdelen de rollen zelf van:
Snorro, de gemaskerde held. Heeft een stoere, donkere stem.
Wervelwind, zijn ADHD-paard is vrolijk en gezellig en kan goed lachen.
Conchita, -Snorro’s vriendin- heeft een kordate en beetje hoge stem.
De Boef, -de Premiejager- is een schurk met een stads accent.
De verteller heeft een duidelijke, zakelijke stem.
De Geluidenmaker maakt de geluiden.
Ik verzin er vriendinnen van Conchita bij, meer boeven, geluidenmakers en de gezamenlijke claqueurs die de rol spelen van publiek om te applaudisseren en te joelen bij de eindpresentatie. Zo kan de hele groep mee doen en is er geen limiet aan het aantal kinderen.

Wij spelen de musicals met een groepen van 7 tot 40 kinderen met gebruik van domeinen en haalbare kerndoelen uit het leerlingvolgsysteem.

Techniek is een middel, geen doel.
Muziektheorie is een hulpmiddel om muzikanten te ondersteunen.

Ik herinner mij dat ik als kind, voor het eerst enkele psalmen en gezangenbundel met notenschrift opensloeg.
De noten waren heel klein in notenbalken geschreven en ik kon nog geen noten lezen.
Ik keek ernaar en zag het notenschrift als een soort mooie tekeningen, met stukjes van woorden –lettergrepen- in heel kleine letters.
Toen ik negen jaar oud was, leerde ik muziek lezen en waren de noten en de notenbalken veel groter dan in dat Liedboek. Ik weet nog dat ik de noten één voor één bekeek. Ik leerde een noot en een andere noot en nog één lezen, schrijven en op de blokfluit spelen, tot ik alle acht noten van de toonladder kende, plus de fis!
Omdat ik nooit vergeten ben hoe fantastisch dat was, geef ik nu muziektheorie in kleine simpele stappen die iedereen aankan! Als kind heb je immers ook alle zesentwintig letters van het alfabet en de cijfers leren lezen en schrijven? En elk kind kan immers een tekening maken?

‘Ieder heeft een eigen toon en daar gaan wij naar op zoek door te luisteren naar elkaar…’
Dit is een uitspraak van de dirigent uit de film ‘As it is in heaven’.
Ik heb er zelf aan toegevoegd: ‘… en te kijken in een boek.’
Muziek is zo ingewikkeld of eenvoudig als je het zelf maakt.
Maak het je toch gemakkelijk en geniet!
Alleen spelen is fijn, maar met anderen samen spelen geeft nog meer voldoening.
Al moet je soms wachten tot een bepaalde toon heeft door iedereen van de combo begrepen is. Je ziet het, ik kan differentiëren. Dit bnetekent differentiatie voor de leerling: ik bied als docent een stuk muziek aan op vier niveaus: met twee noten, hetzelfde stuk met iets meer noten, met veel noten en met alle noten. Kijk maar naar het voorbeeld. Ik noemde het ‘Spring fever rock’. Het motiefje heb ik gebruikt van ‘I feel the earth move’ van Carole King.

Bewegen terwijl je speelt of zingt is een deel van de techniek in muziek. In de les leer ik je iets over isolatie en coördinatie, die zorgen voor concentratie en perfectie.
Ik hoor je zeggen; ‘Het is nooit perfect.’
Dat klopt, maar dat hoeft ook niet. Het doel van de les is het doen.

Muziektheorie van de zangles:
Je warmt je stem op met solfège oefeningen. Solfège is trainen van het gehoor door het zingen van ademoefeningen op toonladders.
Deze toonladders staan geschreven in een notenbalk. Je leest en zingt de tekst die onder de noten staan.
Na de oefeningen werken we aan je repertoire.
Hoe je dat aangeboden krijgt, is afhankelijk van jouw muzikale voorkeur leerstijl.
Je mag altijd zelf kiezen wat je graag wilt zingen. Maar op welke toon moet je met zingen beginnen? Dat doe je door de begintoon op te zoeken op een piano, gitaar of elk ander instrument dat je bij je hebt.
Je leest een songtekst van papier of computerscherm of van een partituur of sheet music.
Dit zal ik nu uitleggen.
In een partituur van zang en piano bestaat een regel uit drie notenbalken. De bovenste is voor de zang en de twee onderste voor de piano.
De partituur lees je niet van de eerste regel naar de tweede, zoals in tekst. Anders gezegd, je leest niet van de eerste notenbalk naar de tweede notenbalk.
Maar je leert om na de eerste notenbalk van de zang de twee notenbalken van de piano over te slaan en de volgende notenbalk van de zang te vinden.
Dan volg je de tekst die onder de noten in de balk van deze zangpartij staat.
Je leer de tekst en de melodie uit het hoofd.
Je hoeft geen noten te kunnen lezen. Het enige wat je wel moet onthouden is hoe de noot heet waarmee je begint.
De begeleider slaat deze toon aan en dan kun jij gaan zingen.
‘The Rose’ begint bijvoorbeeld op c’ (c ééngestreept).
Dat is het enige wat je moet onthouden als je “The Rose’wilt zingen.
Je ziet het, er is niets moeilijks aan!

Neem een telefoon of andere geluidsdrager mee om de oefeningen op te nemen.
Zo heb je een opname van drie minuten die je na de les thuis kunt beluisteren.
Als je daarmee gaat oefenen leer je onthouden wat we in de les hebben gedaan en met elke dag vijftien minuten oefenen zul je horen dat je vooruitgang boekt.

Aan gitaristen leg ik de tablatuur en het notenschrift uit.
In onderstaande tablatuur staat een nul bij de lage e-snaar.
Je begint met het aantokkelen van één toon op een losse snaar.

e’’—————————————————————
b’—————————————————————-
g’—————————————————————-
d’—————————————————————-
a—————————————————————-
e–0————————————————————

In de notenbalk staat deze e aan het begin van de balk in de viool of g-sleutel.

notenschrift-gitaar

In twee notenbalken kun je makkelijker muziek lezen dan in één notenbalk, omdat daar veel hulplijnen staan.
Voor de leesbaarheid staat dezelfde e als boven hier onder aan het begin van de balk in de bas of f-sleutel.

notenschrift-gitaar-2

Dan leer je ‘een toon te grijpen’. Je leert toongrepen en accoorden.

Aan pianisten leg ik het notenschrift uit.
Een stem heeft een toon. In de pianotest laat ik je een hoge en een lage toon zingen.
Kun je niet zingen? Kijk dan naar de tekening van het klavier en lees de namen van de noten die een toets en een toon hebben.

notenschrift-pianisten

Je begint met het spelen van één noot en leert je een toonladder te lezen.
Met die vaardigheid kun je al een melodie instrument of zanger begeleiden met een melodielijn of een baslijn.

TIP: Maak in de les een korte filmopname van de toongrepen met jouw telefoon.